Mijn politieke bewustzijn kwam al vroeg. In groep 6, toen de Wet op het Basisonderwijs werd ingevoerd, kreeg ik een cadmiumgeel koffertje en een berg reclamestickers. Waar andere kinderen misschien blij waren met die cadeautjes, zag ik vooral verspilling. Mijn buurmeisje en ik besloten te demonstreren: “Wij protesteren, Deetman zonder kleren.” Een kinderlijke, maar oprechte reactie op onrecht.
Op de middelbare school verdiepte ik me in verkiezingsprogramma’s voor de schaduwverkiezingen. Argumenten waren belangrijk voor het stemmen. Maar beeldvorming raakte me ook. In olie gedrenkte vogels die door vrijwilligers werden schoongemaakt. De Shell-boycot tegen apartheid in Zuid-Afrika. De Oslo-akkoorden. Mijn Greenpeace-agenda en het tijdschrift Onze Wereld gaven me hoop op een betere toekomst.
Tijdens mijn studententijd in Delft sloot ik me aan bij lokale partij STIP (Studenten Techniek in Politiek, red.). We wonnen twee zetels, en door een politiek schaakspel tussen grote partijen belandde ik als 21-jarige op een wethoudersstoel in een coalitie met PvdA, GroenLinks en D66. Ik had geen idee hoe de politiek écht werkte, maar ik wilde het leren.
GroenLinks leerde ik kennen als de partij van slimme mensen die het vaak beter wisten. En dat ook goed wisten uit te leggen. Soms irritant, maar vaak met humor en een goed glas bier. Bij de PvdA ging men liever niet naar het café.
In 2006 zocht ik een groene partij die paste bij mijn gesettelde, werkende leven. D66 had net een kabinet laten vallen vanwege een gekozen burgemeester en dat was voor mij geen prioriteit in tijden van klimaatverandering en ongelijkheid in de wereld. GroenLinks, met Femke Halsema als vrijzinnig rolmodel, voelde daarom als de logische keuze. Ik was overtuigd.
Maar pas toen ik het GroenLinkse blaadje ging lezen en naar congressen ging, kreeg ik door dat de stevige mening van de partij niet statisch en abstract was. Het was een rommelig product van mensen, meningen en prioriteiten. En die mensen konden het soms grondig oneens zijn. Het beruchte Kunduz-congres in 2012 toonde hoe mensen, gedreven door vrede, pacifisme of ontwikkelingshulp lijnrecht tegenover elkaar kwamen te staan. Het was een vreselijke bijeenkomst, waar eigen gelijk belangrijker leek dan de gedeelde waarden of het respect voor de ander. (Net als later in Amersfoort, waar discussies over parkeerbeleid ver voorbij de grens en de inhoud gingen.) En het onderwerp van verschil werd belangrijker gemaakt dan alle andere inhoudelijke onderwerpen waarover we het wel eens waren. Ik wist ineens niet meer zo zeker wat ik zelf eigenlijk vond.
Ondertussen was ik lid van het bestuur van GroenLinks in mijn woonplaats. Want politici kunnen hun werk het beste doen met een sterke, georganiseerde partij achter zich. Ook als ik inhoudelijk twijfelde, kon ik ledenvergaderingen organiseren of nieuwsbrieven versturen.
Pas toen ik halverwege 2012 in Amersfoort ging wonen, werd ik weer politiek-inhoudelijk actief. Ik wilde meebouwen aan de stad waar mijn kinderen zouden opgroeien. Vanaf 2014 zat ik in de gemeenteraad, in een team met Hiske, Frans, Lubbertus, Esther en Dillian. Beeldvorming en argumenten botsten regelmatig: over de War, de rondweg, bomen, zonnevelden, jeugdzorg, vrijheid van discriminatie en armoede.
En toen ging ik ook scherper zien wat ik al een tijdje voelde: studeerkamergelijk werkt misschien voor schrijvers, maar niet voor politici. We moeten de mensen en hun levens kennen, ook als we het niet met elkaar eens zijn. De PvdA was daar beter in dan GroenLinks. Wij hadden de principes en onze achterban, maar zij hadden de verbinding met de rest van de samenleving.
En die verbinding heb ik vanaf 2018 meegenomen in, opnieuw, het wethouderschap. Nu voor GroenLinks in Amersfoort en met naast steviger gefundeerde principes ook meer ruimte voor twijfel en voor verbinding met alle mensen in de stad. Onze grotere fracties onder leiding van Dillian en vanaf 2022 Bram waren veel breder en sterker. En met de fractie van de PvdA met Rob en later ook Rachida als buitenboordmotor in de oppositie kregen we een nog steviger basis.
En nu, met de fusie voor de deur, voel ik de weemoed van het einde van een tijdperk. Een tijdperk waarin ik leerde dat politiek niet alleen gaat over de juiste keuzes maken, maar ook over hoe je dat doet. GroenLinks en ik hebben geleerd dat idealen belangrijk zijn, maar dat je ze moet vertalen naar de werkelijkheid. Ik ben gaan zien dat je tegelijk sterke principes kunt hebben én kunt twijfelen. Dat je een overtuiging kunt hebben én je tegelijkertijd kunt openstellen voor de mening van anderen. Bij mij blijken die grondhoudingen fuseerbaar. Misschien is Progressief Nederland dus wel de logische volgende stap. Niet alleen voor de partijen, maar ook voor mij.
Astrid Janssen, Amersfoort.